| Meetperiode | Utrecht | Nederland |
|---|---|---|
| 2022 | 25 | 285 |
| 2023 | 25 | 300 |
| 2024 | 30 | 320 |
| 2025 | 35 | 320 |
| 2026 | 35 | 315 |
Vestigingen op 1 januari. Tot en met 2024 zijn de cijfers definitief, de standen over 2025 en 2026 zijn voorlopig. Onafhankelijke afronding kan een klein verschil opleveren. CBS StatLine 81578NED; selectie 309100, PV26.
De meetpunten voor Utrecht
Het verloop in Utrecht begint bij 25 in 2022 en bereikt 35 in 2026. In volgorde van de meetpunten zijn de tussenstappen 0, +5, +5, 0 vestigingen. De grootste absolute stap voor Zuivelindustrie (geen ijs) valt tussen 2023 (25) en 2024 (30). In deze selectie geldt 2022 met 25 als laagste meetpunt, en 2025 met 35 als hoogste. De eindwaarde ligt daarmee 0 onder dat maximum en 10 boven het minimum van Utrecht.
Hoe verhoudt Zuivelindustrie (geen ijs) zich tot het gebied?
Van 2022 tot 2026 verschoof het totaal voor Utrecht van 194.320 naar 222.820 vestigingen. De verandering binnen Zuivelindustrie (geen ijs) was +10, bij een totale regionale beweging van +28.500. In 2022 kwam de categorie daarmee uit op 0,01 procent van Utrecht en in 2026 op 0,02 procent. Binnen dezelfde regio heeft Afstandsonderwijs een bijna zo grote telling (35), vanuit 35 bij het eerste meetpunt. Sommige branchegroepen binnen de bron overlappen; deze twee categorieën zijn apart vergeleken.
Binnen de bredere bedrijfstak Voedingsmiddelenindustrie
Het CBS deelt Zuivelindustrie (geen ijs) in onder de bredere SBI-afdeling 10 (Voedingsmiddelenindustrie). In Utrecht omvat die in 2026 680 vestigingen, waarvan 35 in de specifiek geselecteerde categorie vallen. Dat geeft een aandeel van 5,15 procent. Voor Nederland komt Zuivelindustrie (geen ijs) binnen dezelfde afdeling uit op 315 van 9.560, dus 3,29 procent. In 2022 was de verhouding voor Utrecht nog 25 op 610 (4,1 procent).
Voor de afdeling Voedingsmiddelenindustrie vermeldt de oprichtingenstatistiek in Utrecht over 2025 55 nieuwe vestigingen. Die telling hoort bij het bredere niveau 10. Wie de 55 als nieuwe vestigingen van alleen Zuivelindustrie (geen ijs) zou beschrijven, gebruikt de verkeerde afbakening. Ter voorbereiding op een locatiebezoek kun je dus de actuele stand van 35 in Utrecht vergelijken met de instroom van de bredere afdeling, mits je in de bespreking de twee categorieën uit elkaar houdt.
Van Utrecht naar de landelijke reeks
Voor heel Nederland bedraagt Zuivelindustrie (geen ijs) in 2026 315 vestigingen; in 2022 waren het er 285. De landelijke beweging over dat venster komt neer op +10,5%, tegenover +40% voor Utrecht. In absolute aantallen ligt Nederland +30 ten opzichte van de beginmeting. Het aandeel van Utrecht in de nationale reeks gaat van 8,77 naar 11,11 procent. Dat verloopt niet noodzakelijk in dezelfde richting als het aandeel van Zuivelindustrie (geen ijs) binnen het regionale totaal van 222.820.
Welke gebieden lijken op de eindstand?
Onder de 11 vergelijkbare gebieden met een positieve meetwaarde voor Zuivelindustrie (geen ijs) en een beschikbare beginmeting zijn er 3 met een hogere eindstand dan Utrecht. De afgeronde telling 35 komt voor bij 3 gebieden. Het dichtst in absolute aantallen komt Overijssel met 35, gevolgd door Zuid-Holland met 35. Relatief aan het eigen regionale totaal lopen de andere gebieden van 0,01 procent in Zuid-Holland tot 0,03 procent in Fryslân. Ter vergelijking staat Utrecht op 0,02 procent voor Zuivelindustrie (geen ijs).
Van een provinciale beweging naar een bezichtiging
Begin voor een locatieverkenning bij Zuivelindustrie (geen ijs) in Utrecht met de provinciale telling van 35. Onderzoek vervolgens één eigen verzorgingsgebied. Hoeveel van zulke vestigingen kom je binnen dat gebied werkelijk tegen? Controleer naast de kaart ook Afstandsonderwijs, waarvoor het CBS in Utrecht 35 vestigingen vermeldt. Een onderneming die op straat hetzelfde publiek lijkt te bedienen kan onder een andere bedrijfsactiviteit vallen. In Overijssel bedraagt de telling voor Zuivelindustrie (geen ijs) 35; voor een locatiegesprek blijft de lokale afstand belangrijk.
Vragen voor het vervolg
- Welke waarneming op locatie zou een provinciale ontwikkeling in perspectief plaatsen?
- Bij welke twee meetpunten binnen Zuivelindustrie (geen ijs) zou je eerst extra context opvragen?
- Wat heb je naast de telling voor Utrecht nodig om de volgende stap te onderbouwen?
Bronnen
Welke bron wil je onderzoeken?
Welke locatie of ontwikkeling binnen Zuivelindustrie (geen ijs) in Utrecht wil je verder uitzoeken?
